Gestel en De Smet – Kleurrijke vriendschap
‘Het is mij daarom een vreugde tot mijn vrienden te mogen rekenen, enkelen van die ware kunstenaars, die ik met Van Gogh durf samen te noemen, die in plaats van op de klok te letten of het bittertje of het biljart roept en uit te rekenen tevens hoeveel geld zij die dag bij hun vermogen mogen schrijven. Een van die vrienden is Gustave De Smet.’ Zo schreef de Nederlandse kunstenaar Leo Gestel (1881-1941) in 1934 over zijn Vlaamse vriend Gustave De Smet (1877-1943). Beide kunstenaars hadden in de voorgaande decennia juist in moeilijke tijden steun bij elkaar gezocht. Daaruit was een diepe en warme vriendschap ontstaan. Die was er niet geweest als er ook niet een groot respect en waardering voor elkaars werk zou zijn geweest. ‘Zonder vleierij, je bent een eerlijke en groot werker’ schreef De Smet aan Gestel en ook Gestel was vol lof over zijn kunstbroeder: ‘Hij is voor mij een kunstenaar van de bijzondere soort. Een groot verbeelder, droomer en een machtig colorist.’
De Eerste Wereldoorlog bracht beide kunstenaars met elkaar in contact. De Gentenaar Gustave De Smet vluchtte met zijn vrouw en enig kind naar Amsterdam. Daar ontmoette hij Leo Gestel die hem introduceerde bij zijn vrienden, waaronder Gestels mecenas en kunstverzamelaar Piet Boendermaker. De Smet was vóór de Eerste Wereldoorlog succesvol als schilder van landschappen in een impressionistische stijl.

In Amsterdam werd hij echter, zoals hij zei, ‘overdonderd’ door alle moderne kunst die hij daar zag, zoals werken van Henri Le Fauconnier, Paul Cézanne en Vincent van Gogh. Kunst die aan hem in Vlaanderen voorbij was gegaan. Het leidde tot een ommekeer in zijn werk: ‘de ontmoeting met het werk van enkele modernen bracht mij de openbaring, dat de visuele nabootsing van de natuur de zuivere expressie geweldig in de weg staat. Sindsdien heb ik getracht alles in mij af te breken en nieuw op te bouwen.’ Al gauw kwam De Smet onder invloed van de kunst die de Fransman Le Fauconnier en zijn Nederlandse bewonderaars als Piet van Wijngaerdt en Leo Gestel voorstonden. Deze stijl, die al snel werd beschreven als de Bergense School, werd vooral beoefend door Amsterdamse kunstenaars die naar Bergen waren verhuisd. Hun werk wordt gekenmerkt door kubistische invloeden met geometrische vormen, donkere kleuren met kleurdissonanten en lichte kleuraccenten.

Op uitnodiging van Gestel kon De Smet met zijn nieuwe, moderne werk deelnemen aan de verkoopexposities van de Hollandsche Kunstenaarskring in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Bovendien nam Gestel zijn mecenas Boendermaker mee naar het atelier van De Smet. In de periode 1915 tot 1923 zou de verzamelaar meer dan veertig schilderijen van De Smet verwerven.
In 1916 verhuisde De Smet van Amsterdam naar Blaricum. Daar ontwikkelde hij in weloverwogen composities zijn eigen kenmerkende stijl. De figuren en objecten werden sterk vereenvoudigd, details werden weggelaten, de compositie werd tweedimensionaler. Ook werd de invloed van het Duitse expressionisme nu zichtbaar.

In 1922 keerde De Smet terug naar België. Vrijwel tegelijkertijd begon Gestel, met zijn vrouw en de dochter van zijn mecenas, aan een twee-en een half jaar durende kunstreis door Europa. Uiteindelijk leidde deze reis tot een persoonlijke en artistieke crisis, waarna De Smet zijn vriend Gestel in juni 1925 uitnodigde om bij hem in de buurt op verhaal te komen. In Vlaanderen beleefde Gestel, zoals hij achteraf zei, de mooiste tijd van zijn leven. Aanvankelijk hadden zijn werken in kleur en geometrische vormen nog de kenmerken van de Bergense School. Na enige tijd werden zijn composities echter lichter van kleur en meer tweedimensionaal, stijlkenmerken die we terugzien in het werk van De Smet.



Eind 1927 keerde Gestel terug naar Nederland. Juist toen hij een nieuwe tentoonstelling voorbereidde met vooral werk dat hij in Vlaanderen had gemaakt, brak er brand uit in zijn atelier. Ongeveer 400 schilderijen gingen verloren, zo’n 300 tekeningen konden uit de vuurzee worden gered. Steun kreeg hij van velen, waaronder van De Smet: ‘beste, beste vrienden, laat u er niet door terneer drukken. Wij ook hebben harde klappen in het leven gekregen. Onze innige vriendschap voor je beiden van uw Gusta en Gust.’
Voor De Smet waren de jaren twintig zeer succesvol, vooral door toedoen van de flamboyante ondernemer Paul-Gustave van Hecke en docent en schrijver André De Ridder. Maar de economische gevolgen van de beurskrach van 1929 leidden tot faillissementen van kunsthandelaren en verzamelaars. Zo werd door de bank beslag gelegd op ongeveer 2400 werken van Boendermaker, het grootste deel van zijn verzameling en werden kunsthandelaren, als Le Centaure waar De Smet voor werkte, failliet verklaard. De Smet ging kleiner wonen en ook Gestel verhuisde naar een eenvoudig huis in Blaricum.
Vanaf deze tijd komt in het oeuvre van zowel De Smet als Gestel de vrouw als thema vaak voor. De vrouwen die De Smet schilderde zijn vaak in gedachten, aan het mijmeren, enigszins afstandelijk, maar niet onpersoonlijk. Gestel was, zoals hij zei, op zoek naar de ‘oermens’ waarmee hij het harde bestaan expressief wilde uitdrukken. Hij deed dit door de natuurlijke vormen sterk te deformeren. Zijn werk toonde in deze periode veel overeenkomsten met het werk van Constant Permeke (1886-1952), die hij kende uit de periode dat hij in Vlaanderen verbleef.


Gestel en De Smet waren altijd op zoek naar de ultieme vorm van persoonlijke expressie. Ze steunden elkaar in hun zoektocht naar de juiste compositie en de meest bevredigde uitdrukking, maar altijd met behoud van een eigen interpretatie en uitvoering. Zo zijn in hun werk overeenkomsten te vinden, maar ook duidelijke verschillen. Gestel was zijn leven lang maagpatiënt en moest vooral in de laatste vijftien jaren van zijn leven regelmatig langdurig in bed herstellen. Dat dwong hem vooral tekeningen in kleiner formaat en boekversieringen te maken. Beide kunstenaars hadden in de dertiger jaren grote overzichtstentoonstellingen waarmee ze veel succes hadden. Maar de Tweede Wereldoorlog maakte aan dit alles een eind; Gestel overleed in 1941, De Smet in 1943.
Stedelijk Museum Almaar belicht in deze tentoonstelling de vriendschap tussen De Smet en Gestel, een vriendschap die het werk van zowel De Smet als van Gestel wederzijds heeft gevormd. De basis van de ontwikkeling van de zo kenmerkende stijl van De Smet ligt in de jaren tussen 1914-1916 in Amsterdam, waar hij kennismaakte met Gestel en het expressionisme van de Bergense School. En dus niet, zoals lang werd gedacht, in zijn kennismaking met het Duits expressionisme. Voor Gestel vormde het werk van De Smet en zijn Vlaamse kunstbroeders de basis voor zijn ontwikkeling na 1925, wat vooral zichtbaar is in de landelijke motieven, de vereenvoudigde figuren en een sterker gevoel voor monumentaliteit. De tentoonstelling in Alkmaar volgt deze ontwikkelingen op de voet en toont, mede door een zevental schilderijen uit The Phoebus Foundation collectie, de warme vriendschap en de ontwikkeling van Gustave De Smet en zijn vriend Leo Gestel.

Gestel en De Smet is nog tot en met 13 september 2026 te zien in Stedelijk Museum Alkmaar. Meer info en tickets via stedelijkmuseumalkmaar.nl.
Bijdrage van Kees van der Geer, gastconservator aan het Stedelijk Museum Alkmaar.