Het botanisch manuscript van een Antwerpse chirurgijn ontleed
Dr. Leen Kelchtermans
In het papierrestauratieatelier van The Phoebus Foundation werd een tijdje geleden een opmerkelijk anoniem, achttiende-eeuws botanisch manuscript behandeld.1 Het handgeschreven naslagwerk omvat twee alfabetisch geordende delen. Het eerste wordt voorafgegaan door een ingekleurde titelpagina van het beroemde Cruÿde Boeck van de zestiende-eeuwse Mechelse arts Rembert Dodoens. De titel en andere gegevens zijn weggeknipt en in de plaats daarvan is een afbeelding van een spina arabica geplakt. Het tweede deel opent met een voorstelling van een dame die boven een gesloten hek torent en een sierlijke cartouche waarin het wapenschild van Amsterdam is verwerkt, net als de letters ‘F.H.’ en een verstrengelde ‘DC’. Elke plant krijgt een toelichting, onder meer over de smaak en geneeskundige toepassing. Ook is een illustratie voorzien: de auteur gebruikte hiervoor de prenten uit Dodoens’ publicatie. Hij kleurde ze zorgvuldig in, sneed ze nauwgezet uit en bevestigde ze bij de tekst.
Tijdens de restauratie kwam een verrassing aan het licht: er zat een opgevouwen papiertje verstopt in de perkamenten rug. Wat stond er op? En wat leert het over de auteur van het bijzondere manuscript?




Antwerpse chirurgijn
Het papiertje dat in de rug van het handgeschreven plantencompendium werd gevonden, bleek een Latijns afschrift van een doopakte te zijn, opgesteld door de vice-pastoor van de Antwerpse Sint-Andriesparochie op 20 oktober 1762. Het gaat om de doopakte van Petrus Josephus Van Laere, zoon van Carolus Van Laere en Elizabetha Van Duren. Het afschrift klopt precies met de originele nota in het betreffende doopregister: Petrus Josephus werd inderdaad op 8 juni 1746 gedoopt in de Sint-Andriesparochie. Zijn ouders waren vijf maanden eerder, op 5 januari 1746, gehuwd in dezelfde kerk.2 Dat suggereert dat Elizabetha op haar trouwdag al vier maanden zwanger was.
Op 30 juni 1770, toen hij vierentwintig jaar was, trouwde Petrus Josephus Van Laere met Maria Isabella Rottiers, die afkomstig was van de Antwerpse Sint-Jacobsparochie.3 Een akte uit het Weeskamerarchief van 5 september van datzelfde jaar geeft aan dat zijn ouders stierven nog voor hij meerderjarig was. In het kader van een nalatenschap lijst het document Van Laeres kosten van het jaar 1764 op.4 Naast uitgaven voor kledij, schoenen, zilveren gespen en een scheermes valt vooral het slijpen van lancetten op. Dat waren immers chirurgische messen. Ook kocht hij bij boekverkoper Grangé ‘twee Boecken raeckende de Chirurgie’, wat duidelijk wijst op Van Laeres activiteiten binnen het Antwerpse chirurgijnsmilieu.
Die worden bovendien bevestigd door het Rekenboek van de Antwerpse Chirurgijns, waarin Van Laere meermaals vermeld wordt als confrater of meester chirurgijn. Tussen 10 juli 1772 en 7 mei 1776 betaalde hij honderdzestig gulden ambachtsgeld en tien gulden voor de inschrijving van een leerjongen. Allicht vond dit plaats rond 13 december 1774 toen Van Laere zijn diploma behaalde maar nog een stage van acht jaar voor de boeg had.5 Toen die afgelopen was, in 1782, werd zijn lidmaatschap opnieuw geregistreerd in het Rekenboek en in januari 1787 volgde de inschrijving van nog een andere leerling, Arnoldus Proestmans.6
Ook daarna bleef Van Laere als chirurgijn actief. Zo werd hij tijdens de Antwerpse volkstelling van 1796 met zijn gezin geboekstaafd in de ‘chambre haute’ van het huis aan de ‘Rue de Convent 12’. ‘Pierre Vanlaere, 50 [ans], Churigijn [sic]’, woonde er samen met zijn vrouw en twee ongehuwde dochters Johanna Maria Isabella en Maria Carolina.7 Een kleine twintig jaar later, op 1 februari 1815, overleed Van Laere. Dat vermeldt het overlijdensbericht van de chirurgijn in de Antwerpsche Gazette.8
Nu de dopeling, vermeld op het papiertje verstopt in de rug van het botanisch manuscript, geïdentificeerd kan worden als de Antwerpse chirurgijn Petrus Josephus Van Laere, rijst de vraag: is hij ook de auteur van het werk? De aanwezigheid van het briefje maakt dat heel waarschijnlijk. Bovendien versterken een analyse van de inhoud en de datering van het compendium deze hypothese.



Hergebruik
Alvorens daarop verder in te gaan, eerst nog iets over het manuscript zelf. Het lijkt er sterk op dat het oorspronkelijk niet als een notitieboek bedoeld was. De twee verticale rode lijnen links en vier rechts op elke pagina suggereren dat het bestemd was als een rekeningboek waarin geldsommen per muntsoort konden worden genoteerd. Ook het opschrift op het schutblad, in een opmerkelijk ouder handschrift dan de rest van het manuscript, sluit daarbij aan. Er staat: ‘Groot Boeck gheregelt voor [blanco]’. Die benaming verwijst effectief naar een handelsregister waarin kooplieden hun transacties bijhielden.9 De naam voor wie het boek ‘gheregelt’ of voorzien was van de kolommen, werd niet ingevuld.10 Later werd het schutblad vastgekleefd aan de kaft, waardoor het opschrift niet meer zichtbaar was. Mogelijk deed de auteur van het botanisch manuscript dit, want hij gebruikte het boek immers niet voor zijn boekhouding. Evenmin hield hij rekening met de kolommen: hij schreef er gewoon overheen of plakte er illustraties op.


Specialist
Gebruikte de auteur van het botanisch manuscript de afbeeldingen van Dodoens’ Cruÿde Boeck, dan kopieerde hij de teksten van de Mechelse dokter niet. Per plant noteerde hij de geneeskrachtige eigenschappen en vergeleek daarbij inzichten van diverse auteurs. Zo citeerde hij onder meer de befaamde Grieks-Romeinse arts Claudius Galenus (ca. 129-216), verschillende zestiende-eeuwse dokter-plantkundigen onder wie de Franse Matthias de Lobel en Jacques Daléchamps, maar ook zeventiende-eeuwse medici als de Deen Simon Paulli en de Engelsman Thomas Sydenham.
Veel frequenter verwees de auteur echter naar wetenschappers uit de vroege achttiende eeuw. Carolus Linnaeus, die de eerste editie van zijn botanische standaardwerk Species Plantarum in 1753 in Stockholm publiceerde, passeert meermaals de revue, naast bijvoorbeeld Giovanni Alessandro Brambilla, de Italiaanse lijfarts van keizer Jozef II die in 1769 zijn invloedrijke Riflessione fisico-medico-chirurgiche uitbracht. Vaak vergeleek hij de medische toepassingen van planten met de ‘Londesche’ en ‘Edenborghse materia medica’. Die laatste kreeg vorm toen Francis Home in 1768 aan de Schotse universiteit de eerste professor Materia Medica werd en die leerstoel dertig jaar bekleedde.11 Daarnaast nam hij soms hele fragmenten over uit de Materia Chirurgica van de Weense medicus Joseph Jacob von Plenck, een werk dat voor het eerst verscheen in 1771.
Datering
Toen het botanisch manuscript in de collectie van The Phoebus Foundation terecht kwam, werd aangenomen dat het uit de vroege achttiende eeuw stamde, omdat het papier een watermerk draagt uit 1722.12 Toch kan die datering bijgesteld worden aan de hand van de plant- en geneeskundige boeken die de schrijver vermeldt. De publicatiejaren van de eerste uitgaven ervan leveren immers een terminus post quem op voor het manuscript. Zo kan het zeker gedateerd worden na 1771, het jaar waarin Von Plencks Materia Chirurgica voor het eerst gedrukt werd.
Die datering strookt ook met een nota vooraan in het manuscript: ‘ontfanghe van de Heer Kramp de somme van 73 [gulden]-10 stuyvers den 2[onleesbaar cijfer] februarien 1782’. Het lijkt erop dat het boek toen al in gebruik genomen was – 1782 was ook het jaar waarin Van Laeres chirurgijnsstage volledig voltooid was. Achteraan werd nog genoteerd: ‘Catharina is bij de heer [moeilijk leesbare naam] comen wonen den 21 augusti 1764’. Hoe beide notities precies te begrijpen zijn, is onduidelijk.

Van Laeres compendium?
Naast het afschrift van zijn doopakte in de rug van het manuscript maakt de bijgestelde datering ervan – na 1771 – het erg aannemelijk om Petrus Josephus Van Laere als auteur aan te duiden. Hij was immers tussen 1774 en 1815 in Antwerpen als gediplomeerd chirurgijn actief. Dat de samensteller van het naslagwerk geen beginneling maar een ervaren specialist was, blijkt uit opmerkingen zoals ‘Ick genas met den wijn, daer wijnruijt in gekockt, en wat roosenhoning bij gedaen was, een stinckende neussweer, en een haetelijcke rottige versweering van het tantvlees, die met been bederf der tantkas gepaert ging.’ Ook zou het geneesmiddel dat gemaakt werd van de mastiekboom verettering van hoofdwonden niet verhinderen ‘als ik selver heb waergenomen’ en over lijnzaad wist hij: ‘Ick hebbe menighmael het lijnsaetmeel met melck en scheerlingkruijd tot poeder gebraght, als een pap op op [sic] borsten, die half verhaerdt, half ontsteeken en half verteert waeren en verettert waeren, uijt alle middelen het beste bevonden.’ Daarnaast verwees hij in verband met de verkoop van een welbepaalde soort valeriaan in ‘de winckels’ naar ‘ons Collegie’. Bedoelde hij hiermee het Collegium Medicum Antverpiense? Dat werd in 1620 opgericht om het opleidingsniveau van chirurgijns in de Scheldestad te waarborgen en controleerde onder andere ook de verkoop van geneesmiddelen door apothekers.13
Ondanks kleine verschillen hier en daar lijkt het botanisch manuscript consistent door één persoon opgesteld. Een vergelijking van het handschrift met Van Laeres handtekeningen op diverse documenten, zoals de doopaktes van zijn kinderen en notariële akten uit 1774 over de erfenis van zijn vrouw, levert extra aanwijzingen op voor zijn auteurschap.14 Vooral de schrijfwijze van de hoofdletters ‘V’ en ‘L’ en de kleine letters ‘p’, ‘r’ en ‘v’ is opvallend hetzelfde. Kortom, het afschrift van zijn doopakte verborgen in de rug van het werk, de datering en inhoud ervan, de overeenkomende biografische gegevens en het vergelijkbare handschrift vormen overtuigende argumenten om het botanisch manuscript toe te schrijven aan de Antwerpse chirurgijn Petrus Josephus Van Laere.


Conclusie
Waar het botanisch manuscript al indruk maakte door zijn nauwkeurige samenstelling, werd het door de vondst van het afschrift van een doopakte in de perkamenten rug nog interessanter. Het blijkt hoogstwaarschijnlijk het naslagwerk te zijn geweest dat de Antwerpse chirurgijn Petrus Josephus Van Laere met grote zorg schreef in het laatste kwart van de achttiende eeuw. Hij besteedde veel aandacht aan het uiterst precies inkleuren, uitsnijden en opplakken van Dodoens’ prenten, evenals aan het noteren van zijn medische observaties. Ook het bestuderen en vergelijken van uiteenlopende medische en botanische bronnen uit verschillende eeuwen en regio’s getuigt van zijn toewijding en grondige vakkennis. Het illustreert treffend de professionalisering van de medische sector in die periode; ook in Antwerpen waar het Collegium Medicum zelfs al meer dan een eeuw werkzaam was. Het handgeschreven plantencompendium vormt zo een waardevol tijdsdocument. Dankzij een briefje, eeuwenlang verborgen in de rug, krijgen we een zeldzame blik in wat mogelijk de studeerkamer en praktijk van chirurgijn Van Laere waren, en daarmee ook in het medische landschap van zijn tijd.

Hoe te citeren?
L. Kelchtermans, ‘Het botanisch manuscript van een Antwerpse chirurgijn ontleed’, Phoebus Findings, https://phoebusfoundation.org/phoebus_findings/11/, geraadpleegd op [dd.mm.jjjj].
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze Phoebus Finding mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van The Phoebus Foundation. Als u opmerkingen heeft of beeldmateriaal wilt gebruiken, laat het ons weten: info@phoebusfoundation.org.
Footnotes
- Zie hierover, https://phoebusfoundation.org/beleef/de-restauratie-van-een-18de-eeuws-plantenboek/.[↩]
- Antwerpen, Felixarchief (AFA), Parochieregisters, Sint-Andries, Dopen, PR#111, fol. 207r; Idem, Sint-Andries, Huwelijken, PR#248, fol.22r.[↩]
- AFA, Parochieregisters, Onze-Lieve-Vrouw Noord, Huwelijken, PR#208, fol. 149v.[↩]
- AFA, Weeskamer, Individuele dossiers, WK#3208, z.p.[↩]
- A. De Mets, La Corporation des Chirurgiens-barbiers d’Anvers et l’Enseignement de la Chirurgie à Anvers, depuis la fin du moyen-âge jusqu’à la révolution française, Antwerpen, 1921: 20.[↩]
- AFA, Gilden en Ambachten, Barbiers en Chirurgijns, GA#4079, fol. 18r, 22v, 30v.[↩]
- AFA, Burgerlijke stand en bevolking, Volkstelling van het jaar IV (1796), inv. 2932#49. Voor de doopaktes van die dochters, zie AFA, Parochieregisters, Sint-Walburgis, Dopen, PR#87, fol. 182r (27 maart 1775) en fol. 224r (14 december 1776). Het echtpaar kreeg acht kinderen. Naast de al genoemde dochters waren er ook: Petrus Josephus (Antwerpen, 19 februari 1771), Maria Elisabetha (Essen, 31 januari 1773), Henricus Josephus (Antwerpen, 18 juni 1779), Lucia Maria (Antwerpen, 21 januari 1782), Maria Josepha (Antwerpen, 10 mei 1784) en Joannes Josephus (Antwerpen, 11 februari 1786). Voor hun doopakten, zie AFA, Parochieregisters, Onze-Lieve-Vrouw Noord, Dopen, PR#41, fol. 12v; Agatha. De online zoekomgeving van het Rijksarchief in België: Essen, Onze-Lieve-Vrouw van Geboorte, Dopen, fol. 918v, https://agatha.arch.be/data/images/511/511_0001_037_00008_000/0_0919_r, geraadpleegd op 30.05.2025; ARA, Parochieregisters, Sint-Walburgis, Dopen, PR#88, fol. 64r en 151v; Idem, PR#89, fol. 17r en 88r.[↩]
- Family Search, Burgerlijke stand en bevolking, District Antwerpen, Overlijdens 1814-1815, nr. 190, https://www.familysearch.org/ark:/61903/3:1:S3HY-6W3S-1YQ?wc=Q82R-T18%3A1007785401%2C1007864101%26cc%3D2138481&lang=en&i=478, geraadpleegd op 30.05.2025; Antwerpsche Gazette, 16 (7 februari 1815): 4.[↩]
- Zie het lemma ‘grootboek’ in de Geïntegreerde taalbank, https://gtb.ivdnt.org/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M022359&lemma=grootboek&domein=0&conc=true, geraadpleegd op 30.05.2025.[↩]
- Zie het lemma ‘regelen’ in de betekenis van ‘langs een liniaal lijnen trekken op’ in de Geïntegreerde taalbank, https://gtb.ivdnt.org/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M058235&lemma=regelen&domein=0&conc=true, geraadpleegd op 30.05.2025.[↩]
- J.H. Gaddum, ‘The Development of Materia Medica in Edinburgh’, Edinburgh Medical Journal (December 1942): 721-722.[↩]
- Londen, Sotheby’s, 13.12.2022, lot 189.[↩]
- R. Van Hee, ‘Surgeons and the Collegium Medicum Antverpiense: Professionalisation of Surgical Practice in 17th Century Antwerp’, Acta Chirurgica Belgica, 111 (2011): 184-191.[↩]
- Beveren, Rijksarchief, Notariaat Essen, Notaris Sonnius, d.d. 09.04.1774 en 12.07.1774[↩]